Invloed van externe factoren

Bij het fokken leren we hoe e.e.a. zit met de erfelijkheid. Sommige leren hiervoor trucjes aan, anderen verdiepen zodanig in de genetica dat ze alle genetische eigenschappen van kleuren kennen en weten hoe dit werkt. Maar er zijn ook eigenschappen van buitenaf die invloed hebben op de door ons gefokte dieren.

Dit wordt ook wel met de moeilijke naam epigenetica aangeduid. Epigenetica betekent letterlijk “rondom het DNA”. De naam is door de Engelse bioloog Conrad Waddington in 1942 bedacht en zijn idee was dat ervaringen en leefomstandigheden van dieren de erfelijke materiaal kunnen beïnvloeden. Epi komt uit het Grieks en staat voor iets wat boven of achter de genetica ligt.



Een paar voorbeelden van epigenetica om te illustreren wat het inhoud. Na de hongerwinter zijn er meer mensen geboren met overgewicht. Dit bleek te liggen aan de voeding van de moeder tijdens de zwangerschap. Een ander voorbeeld is dat wanneer mannelijke ratten meer vettig voedsel eten, de dochters hiervan vaker diabetes krijgen. Beide voorbeelden zijn door de wetenschap onderzocht en worden als voorbeelden genoemd. Maar wij als fokker hebben er ook degelijk mee te maken. Denk bijvoorbeeld aan de siamees factor. De intensiteit van de kleur hangt af van de omgevingstemperatuur. Hoe kouder het is, hoe donkerder de kleur wordt.

Een tijd geleden was er een artikel met de titel: ’s nachts een lichtje aanlaten voor je knaagdier kan hem en zijn nageslacht depressief maken. Een voorbeeld van epigenetica om rekening mee te houden. Het blijkt namelijk dat wanneer de dagen korter worden er meer melatonine aangemaakt wordt. En dit heeft invloed op vrouwtjes. Ze kunnen daardoor agressiever zijn. Om dit tegen te gaan kun je de lamp langer aanlaten. Maar wanneer ’s nachts een lamp aangelaten wordt, blijkt dit invloed te hebben op de nakomelingen. Dit is getest op een groep Russische dwerghamsters. Gedurende een test van negen weken werd een groep Russische dwerghamsters bloot gesteld aan extra kunstmatig licht. Hun nageslacht vertoonde meer “depressief” gedrag dan het nageslacht van ouders die ’s nachts wel in het donker zaten. Maar wie heeft er licht branden bij Russische dwerghamsters wanneer het ’s nachts is? Een ander wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat wanneer je bij de Russische dwerghamster ’s nachts de lamp voor 5-10 minuten aan zet, je veel minder kans heb op wintervacht. Fokkers willen wintervacht voorkomen. Het zorgt er niet alleen voor dat ze minder fokken, maar ook voor uiterlijke veranderingen die niet wenselijk zijn voor showdieren. Daarom wordt bij de Russische dwerghamster in de herfst- en wintermaanden vaak een lampje aangedaan. Maar zorg er in ieder geval voor dat er voldoende nachtrust is. En het is niet verstandig om ’s nachts de lamp een tijdje aan te doen.

Voeding is een extern factor dat grote invloeden kan hebben op het nageslacht. Het heeft invloed op de genen! Direct effect is bijvoorbeeld dat te weinig vitamine A kan leiden tot minder goede botten. En slechte voeding kan zorgen voor voortplantingsproblemen. Bij een wetenschappelijk onderzoek werd aan een test groep muizen heel veel foliumzuur, vitamine B12 en zink gegeven. Om op deze manier een gen uit te schakelen wat verantwoordelijk is voor obesitas. Na vijf generaties was het gelukt en was het gen inderdaad uitgeschakeld. En werden er gewone slanke muizen geboren. Daarna gaven ze weer normaal voer. En binnen drie generaties werden er weer muizen geboren met obesitas. Het gen dat voor obesitas zorgde was nog steeds aanwezig, maar was door voeding op non-actief gezet.

Eén-eïige tweelingen worden geboren met bijna identieke DNA structuur. Genetisch gezien zijn er minimale wijzigingen die nauwelijks van invloed zijn. Ze zijn hetzelfde. Hoe ouder zo’n tweeling wordt, hoe meer verschillen ontstaan. Verschillen worden veroorzaakt door voeding, licht, temperatuur, leef- en bewegingsruimte, de stress en de rust. Als fokker moeten we ons er veel bewuster worden dat externe invloeden invloed kunnen hebben op de door ons gefokte dieren. Soms zit iets genetisch in de dieren dat door externe factoren geprikkeld wordt en daardoor tot uiting komt. Of andersom, dat je denkt dat je iets eruit geselecteerd te hebben. Terwijl door externe factoren het gen op non-actief gesteld is.

Martin Braak