De Mongoolse Gerbil

Herkomst

De Mongoolse gerbil behoort tot de Cricetidae familie, dat is de familie van de hamster-achtigen. Zijn Latijnse naam is Meriones unguiculatus, wat geklauwde jager betekend. Iedereen die wel eens gerbils heeft zien vechten snapt waar deze naam vandaan komt!

Naast de alom bekende en gehouden Mongoolse gerbil zijn er nog 86 soorten, die allen met name leven in dorre, onvruchtbare en zanderige steppegebieden van Noord-Afrika, Rusland, Iran, Turkije, Sri Lanka, India, Noord-China en MongoliŽ.

De Mongoolse woestijn, waar de Mongoolse gerbil van nature voorkomt, is een biotoop met harde, extreme omstandigheden. Er zijn niet veel dieren die zulke omstandigheden verdragen, de gerbil heeft hierdoor ook maar weinig natuurlijke vijanden. In de gebieden waar onderzoek is gedaan naar de Mongoolse gerbil bleken eigenlijk alleen vossen, wolven en de oehoe actief op gerbils te jagen. Met name het menu van deze laatste bleek altijd gerbil te bevatten.

Gerbils zijn getalenteerde bouwers, ze vormen ingewikkelde ondergrondse netwerken van tunnels, zogenaamde burchten, met soms wel 10-20 verschillende ingangen. Een enkele keer ook is een hol veel minder complex en zijn er maar 1-3 ingangen. In een burcht leeft meestal ťťn gerbil familie, die bestaat uit een volwassen paartje met nakomelingen van 1 tot maximaal 3 nesten. Het territorium van zoín familie varieert van 325 tot 1550 m2, en is afhankelijk van de groepsgrootte, beschikbaarheid van voedsel en vooral van het gewicht van het grootste mannetje.


Winnaar Mongoolse Gerbil tijdens Exoknaag 2004

Ontdekking

De Mongoolse gerbil is nog niet zo heel lang bekend. Hij werd voor het eerst beschreven in 1867, door ene Pater David, in zijn reisverslag over een reis door MongoliŽ.

SirAlphonse MilneEdwards heeft naar aanleiding van dat verslag de dieren wetenschappelijk beschreven, en hen de naam Gerbillus unguiculatus gegeven, die later (in 1908) veranderd is in Merionesunguiculatus.

Pas in 1935 werden de eerste Mongoolse gerbils levend uit het wild gehaald. Het ging hier om een 40-tal dieren die gevangen werden in het oosten van MongoliŽ en MansjoerijŽ. Deze 40 dieren kunnen beschouwd worden als de voorvaderen van alle tot nu toe gehouden Mongoolse gerbils (kort geleden is er door een Duitse onderzoeksgroep weer een aantal Mongoolse gerbils uit het wild gevangen, deze zijn echter nog niet vermengd met de tot nu toe gehouden populatie).

In de jaren 60 werden afstammelingen van deze 40 gerbils naar de Verenigde Staten gebracht om in laboratoria voor wetenschappelijk onderzoek gebruikt te worden. Daar ontdekte men al snel dat het heel aantrekkelijke diertjes waren, en werden zodoende ook al snel door liefhebbers als huisdier gehouden.

Kenmerken

Gerbils beschikken over een aantal eigenschappen die typisch zijn voor woestijndieren. Zo hebben ze een uitstekend gehoor. Ook hebben ze een heel specifieke waterhuishouding. Ze slaan water op in lagen van vetcellen. Met het water dat zij binnen krijgen springen ze zeer zuinig om, ze urineren slechts zeer weinig, en ook hun uitwerpselen zijn heel droog.

In tegenstelling tot veel woestijndieren is de mongoolse gerbil geen uitgesproken nachtdier. Tijdens de heetste of koudste delen van de dag blijft de gerbil weliswaar in zijn hol, maar hij heeft dan perioden van waken en perioden van slapen. Zijn actieve perioden duren een paar uur en worden afgewisseld door een paar uren rust. Deze cyclus wordt ook in gevangenschap voortgezet.

De gerbil is een klein dier, van neus tot achterwerk meet hij zo'n 12 centimeter, zijn gepluimde staart voegt daar nog een 6 ŗ 12 centimeter aan toe. Het mannetje is meestal wat forser dan het vrouwtje, en weegt zo'n 53 tot 133 gram. Het lichaam van een gerbil is slank, en zijn vel zit vrij strak. De kop is nogal kort en breed, met een spits uitlopende neus. De wildkleur van de Mongoolse gerbil, het zogenaamde agouti, bestaat uit haren met een leigrijze basis, een gelige kleur in het midden en zwarte punten. De buik en poten zijn beige tot wit. De vacht moet een zijdeachtige glans hebben. Deze glans wordt vooral veroorzaakt door de olieachtige afscheiding van een klier op de buik van de gerbil. Beide geslachten hebben zo'n klier, hiermee kunnen zij geurmerken afgeven aan objecten, en ook aan elkaar. Bij het poetsen wrijven zij deze substantie, die pheromonen bevat, over hun eigen vacht. Pheromonen zijn geurende hormonen, zo heeft elke gerbil zijn eigen unieke geur. En krijgt een groep gerbils een gezamenlijke groepsgeur door wederzijdse vachtverzorging. De lichaamstemperatuur van de gerbil is 37,4 tot 39 graden Celsius, de ademfrequentie 70 tot 120 maal per minuut, en ze hebben een hartslag van 260 tot 600 maal per minuut. Ze worden gemiddeld zo'n 3 jaar oud, met een enkele uitzondering van dieren die de leeftijd van 5 jaar (of zelfs nog ouder) halen. In het wild haalt een gerbil slechts zelden de leeftijd van 1 jaar.

Doordat de Mongoolse gerbil al een aantal jaartjes als huisdier wordt gehouden, en er ook vrij veel mee gefokt wordt, zijn er in de loop der tijd een aantal kleurmutaties opgetreden. Hierdoor zijn er meerdere kleuren gerbils ontstaan, naast de wildkleur. Momenteel zijn er 7 verschillende genen (erfelijke factoren) bekend die bijdragen tot de kleur van een gerbil. De combinatie van deze genen samen bepaald het uiterlijk (de kleur en eventuele tekening) van een dier.

Voortplanting

Gerbils zijn geslachtsrijp als ze zo'n drie maanden oud zijn. Een gezond paartje kan met vier maanden het eerste nest krijgen, want de draagtijd is ongeveer 24 dagen.

Het gerbilvrouwtje kan tot een leeftijd van ongeveer 14 tot 20 maanden jongen krijgen. Gemiddeld zal een vrouwtje in haar leven zo'n 7 nestjes grootbrengen. De worpgrootte is meestal 4 ŗ 5, maar er kunnen ook wel 10 jongen geboren worden. Een vrouwtje is tot paren bereid als ze in een bepaalde fase van haar cyclus is, de oestrus, dan alleen is ze vruchtbaar. Aan de paring gaat een heel spel vooraf, waarbij de dieren elkaar wederzijds achternazitten, en af en toe met hun poten roffelen. De dieren snuffelen aan elkaars genitaliŽn, en als het vrouwtje bereid is zal ze haar achterlichaam oplichten, zodat het mannetje haar kan beklimmen. Dit beklimmen doet hij ettelijke malen. Het mannetje moet een vrouwtje wel zo'n 10 keer penetreren voordat hij een zaadlozing krijgt.

Een vrouwtje heeft haar meest vruchtbare periode als ze ongeveer een jaar oud is, daarvoor en daarna zal ze minder vaak een nestje werpen, en de worpen zullen kleiner zijn. Meestal zal een vrouwtje direct na de bevalling weer gedekt worden. Dit geeft geen problemen, want doordat ze jongen zoogt wordt de innesteling van de nieuw bevruchte eicellen uitgesteld, waardoor ze pas na ongeveer 4 weken zal bevallen, als haar eerdere nest al zelfstandig is. Het is niet altijd goed te zien dat een gerbil vrouwtje zwanger is, soms zie je duidelijk dat ze dikker is, maar soms ook niet, daarbij blijft het vrouwtje even actief als altijd. De jongen zijn, als ze geboren worden, slecht ontwikkeld, ze zijn kaal, doof, tandloos en hun ogen zijn nog gesloten. Ze wegen zo'n 2,5 gram en zijn zo groot als een kleine doppinda, ongeveer 3 cm. Bij kleine worpen zijn de jongen vaak iets groter. Hun staart is heel kort, slechts 1 cm. Ze zijn in dit stadium volledig hulpeloos en kunnen alleen maar piepen als ze honger hebben of koud zijn, in de hoop dat moeder snel komt.

Als de jongen 2 of 3 dagen oud zijn beginnen de oren zich te ontwikkelen en weer een paar dagen later ontstaat de eerste haargroei. Gerbils groeien snel, en met zo'n 10 dagen zullen ze al proberen uit hun nest te kruipen, maar hun ogen gaan pas na een dag of 17 open. Dan zullen ze ook beginnen met knabbelen aan het vaste voer. Met ongeveer 24-28 dagen worden ze niet meer door de moeder gezoogd, ze eten dan vast voedsel. Soms zullen ouders hun jongen opeten, dit is niet omdat ze honger hebben, maar meestal gaat het dan om zwakke jongen. De gerbils volgen dan hun instinct en houden het nest schoon door dode of zwakke jongen op te eten.

(c) Karin van Veen