Herkomst van de mongoolse gerbil
De mongoolse gerbil is een zoogdier dat hoort tot de orde van de Rodentia
(knaagdieren) en tot de familie Cricetidae. Zijn latijnse naam is Meriones
unguiculatus, dit betekend geklauwde jager. Hij is het meest verwant aan de
hamster.
Over de hele wereld worden vele soorten gerbils gevonden,
vooral in dorre, onvruchtbare en zanderige steppegebieden. In Noord-Afrika,
Rusland, Iran, Turkije, Sri Lanka, India, Noord-China en Mongolië. Van alle
gerbilsoorten is de mongoolse het meest bekend en vooral geschikt als huisdier.

De Mongoolse steppe
De mongoolse woestijn, waar de mongoolse gerbil van nature voorkomt, is een
biotoop met harde, extreme omstandigheden. Er zijn niet veel dieren die zulke
omstandigheden verdragen, de gerbil heeft hierdoor ook maar weinig natuurlijke
vijanden. Maar om aan de vijanden die er wel zijn, zoals slangen en roof-vogels,
te ontkomen beschikt de gerbil over een zeer goed springvermogen. Deze
springkwaliteiten, die ook erg handig zijn bij het ontsnappen aan aanvallende
gerbil-rivalen, zijn het gevolg van zeer sterke achterpoten.
Gerbils zijn getalenteerde bouwers, ze vormen ingewikkelde
ondergrondse netwerken van tunnels, met speciale kamers als nest en
voorraadkamer. Ook bij het graven komen de sterke achterpoten van de gerbil goed
van pas. Ze graven de aarde af met hun korte, maar sterke voorpoten, en schoppen
dit naar buiten met hun achterpoten. De gerbil burcht heeft meestal meerdere
uitgangen, zodat er meerdere ontsnappingsroutes zijn, mocht er een belager de
burcht indringen. De tunnels worden meestal nabij begroeiing gegraven, zodat de
wortels van de planten steun kunnen geven.
In een burcht leeft meestal één gerbil familie, maar soms
bestaat er een samenwerking tussen verschillende families, met name als het gaat
om waarschuwen bij dreigend gevaar.
Gerbils blijven over het algemeen in de buurt van hun
burcht, ook als ze voedsel verzamelen.
Gerbils beschikken over een aantal eigenschappen die
typisch zijn voor woestijndieren. Zo hebben ze een uitstekend gehoor. Ook kunnen
ze heel goed water vasthouden. Ze slaan water op in lagen van vetcellen. Met het
water dat zij binnen krijgen springen ze zeer zuinig om, ze urineren slechts
zeer weinig, en ook hun uitwerpselen zijn heel droog.
In tegenstelling tot veel woestijndieren is de mongoolse
gerbil geen uitgesproken nachtdier. Tijdens de heetste of koudste delen van de
dag blijft de gerbil weliswaar in zijn hol, maar hij heeft dan perioden van
waken en perioden van slapen. Zijn aktieve perioden duren een paar uur en worden
afgewisseld door een paar uren rust. Deze cyclus wordt ook in gevangenschap
voortgezet.

In geel het verspreidingsgebied van de Mongoolse gerbil.
In 1935 werden er in oostelijk Mongolië en Mandsjoerije een
twintigtal fokparen gevangen. Deze dieren gelden als voorouders van de gerbils
die wij tegenwoordig als gezelschapsdier houden.
Zo'n twintig jaar nadat bovengenoemde fokparen
gedomesticeerd waren, werden de eerste gerbils naar de Verenigde Staten gebracht
voor het gebruik bij wetenschappelijk onderzoek. Men realiseerde zich al snel
dat men hier met zeer unieke diertjes te maken had, die ook uitermate geschikt
waren als huisdier.
Zowel in gedrag als in uiterlijk is de gerbil een
interessant en ongevaarlijk diertje. Hij is erg intelligent en in staat tot het
ontwikkelen van individuele trekjes. Dit maakt de gerbil een grappig en
fascinerend huisdier, voor wie tijd en aandacht aan het diertje wil geven.
(c) Karin van Veen
Gespecialiseerd in gerbilsoorten
http://www.gerbil-info.com/herkomst1.htm