De CH-Teddy

De Zwitserse Teddy of CH-Teddy is een ruwharige cavia die geen rozetten mag hebben. De vacht moet een lengte hebben van ca .4-6 cm, over het gehele lichaam gelijkmatig lang zijn en van het lichaam afstaan. De buikbeharing moet licht gekruld zijn. Bij dieren onder de 5 maanden mag de vacht iets korter zijn. De CH-teddy moet een krachtig gebouwd lichaam hebben met brede schouders. De kop moet relatief stomp zijn met het liefst ver uit elkaar staande ogen, die groot en glanzend zijn. De oren zijn hangend en welgevormd.

Een kruintje op de kop komt bij enkele jonge dieren voor. Dit is meestal niet meer te zien als zij volgroeid zijn.

De Zwitserse teddy is iets groter dan de gladhaar cavia en heeft een rustig karakter. Het is moeilijk deze dieren volgens de standaard te fokken: zelfs als men twee zeer goede dieren met elkaar kruist, hebben niet alle jongen de juiste beharing van de Zwitser. Dit wijst erop dat het ras nog erg jong is, en er nog veel weg moet afgelegd worden om het ras te bestendigen.

De kruising van US Teddies zowel als van Rexen brengt geen verbetering in de pelskwaliteit en is niet wenselijk. De CH-Teddy is een onafhankelijke mutatie: enkel wanneer de CH-Teddy zuiver ondereen gepaard wordt, geeft hij de gekrulde factor door. Inkruising met langharige rassen geeft een pels van ongelijkmatige lengte. Dit is niet wenselijk en is zeer moeilijk er terug uit te fokken. Men moet geen kortharige cavia’s met CH-Teddies inkruisen, dan wordt de pels stelselmatig korter. De echte fokkers van dit ras kruisen enkel CH-Teddy x CH-Teddy.

Een eigenaardigheid van dit ras is het veranderen van de beharing. Voor de dieren volwassen zijn lopen ze verschillende fasen van ontwikkeling door. Wanneer ze in de rui zijn, zien ze eruit alsof het hybriden zijn, maar wanneer de beharing terug volgroeid is, is het resultaat meestal beter dan voordien! Soms zijn er echter dieren die na deze eerste verharing nooit meer een optimale Zwitser beharing terugkrijgen.

De typische beharing is het best te merken rond 4 ŕ 5 maand en daarna wanneer de dieren volwassen zijn. De zeugjes verliezen bij en na de dracht meestal een groot deel van hun haarkwaliteit. Tijdens het zogen wordt de beharing veel dunner en korter, en soms komen zelfs kale plekken op zekere plaatsen voor. Om er weer bovenop te komen hebben ze een rustperiode van 2 tot 3 maand nodig. Meestal komt de beharing dan nog mooier dan voorheen.

Enkel bij volwassen dieren kan men de beharing optimaal op lengte, krulling en stugheid beoordelen.

Dit artikel is afkomstig van de voormalige vereniging Rodent