De kleurslagen van de zwartstaartprairiehond

Bij de wildkleur variëteit is de vacht op de rug bruin van kleur met grijsachtige schakering en zwarte puntjes aan de uiteinden van de haartjes, de buik is crčme kleurig en typisch is de zwarte punt op de staart. De kleuren variëren van dier tot dier en van seizoen tot seizoen, twee maal per jaar is er een vachtwissel en in de winter hebben ze een dikkere soms rossigere vacht die in de zomer korter, gladder en ietwat grijziger wordt. De pups hebben een zeer pluizige vacht die rond een maand of vier verandert naar de volwassen vacht. Een oudere prairiehond zal met het verstrijken van de jaren geleidelijk meer grijs in zijn vacht gaan vertonen, soms zodanig dat hun zwarte staartpunt volledig grijs is geworden.

Buiten deze wildkleur bestaan er ook andere ‘gekweekte’ kleurslagen nl. albino ( wit met rode ogen), wit ( met zwarte ogen), pie-bald ( gevlekt), pastel ( wit en wildkleur gekruist) en palomino (bezitten het gen om zwarte kleur aan te maken niet, hebben een goudkleurige glans over de vacht). Deze kleurslagen zijn uiterst zeldzaam in onze streken en werden ingevoerd vanuit Amerika. Door het huidige, nog steeds geldende handels- en transport verbod van prairiehonden in de States is het onmogelijk deze kleurslagen nog te verkrijgen.

Albino prairiehond



Pie-balds of gevlekte prairiehonden



Witte prairiehond



Palomino prairiehonden



(c) Carine van Hulle-Catellion